Stage en opleiding in de master

Interview met: coördinator Marianne Kooiman

Elk jaar is er de Nationale Studenten Enquete (NSE). In deze rubriek mensen aan het woord die vertellen wat we met de uitkomsten doen, waarom dingen zijn zoals ze zijn, en wat nu (nog) niet kan. Deze keer de coördinator van het eerste masterjaar Marianne Kooiman. 'We gaan vaak te rade bij de Co-Raad als we opmerkingen uit de NSE niet kunnen plaatsen.'

Begeleiding
'We zien behoorlijk wat kritische opmerkingen over de begeleiding van masterstudenten in VUmc. Dat komt doordat de vakinhoudelijke experts in VUmc het onderwijs moeten combineren met patiëntenzorg en dat leidt soms tot wisselende intensiteit van de begeleiding. Bij de herziening van de masterfase aankomende september nemen wij het model van de leerhuizen uit de geaffilieerde ziekenhuizen over. Daar zijn vaste docenten voor een aantal uren per week, die zich uitsluitend bezighouden met de begeleiding van beginnende coassistenten.'

Beoordeling
'De beoordeling moet met deze bijstelling ook verbeteren. Nu is vaak de kritiek dat je wordt beoordeeld door iemand die jou maar amper heeft gezien. Met de vaste docenten behoort dat straks tot het verleden. Overigens zijn er ook nu al voorbeelden van systemen die wel goed werken. Als een student meeloopt met een arts-assistent of een staflid op de polikliniek, schrijft de begeleider na afloop een korte beoordeling. De overall begeleider neemt al deze losse beoordelingen mee in zijn eindoordeel. Dat werkt uitstekend. Hoe meer beoordelaars, hoe objectiever het eindoordeel.' 

Wachttijd M1
'Hoewel er veel opmerkingen zijn over wachttijd voor M1, is er nauwelijks wachttijd. Elk jaar zijn er in september 150 studenten die allemaal meteen willen beginnen aan hun klinische stages. Dat is onmogelijk: iedereen zou elkaar in de weg lopen en het patiëntenaanbod is ook veel te schaars. De kwaliteit van het onderwijs vereist een gespreide instroom. Elke drie weken start een groep van 24 studenten. Degenen die alle studiepunten hebben gehaald die op dat moment te halen zijn, doen mee aan de eerste loting in maart. En zo gaat dat verder. Degenen die niet meteen kunnen beginnen in september kunnen wel aan de slag met hun wetenschappelijke stage of het keuzeonderwijs. Zo hoeft niemand te wachten.'

Indeling M2
'Ik kan me voorstellen dat studenten graag eerder de indeling willen weten van hun tweede masterjaar. Die horen ze acht weken van te voren en dat doen we vanwege logistieke redenen. Hoe later we plannen, hoe beter we weten of de student ook daadwerkelijk zijn planning haalt en dus kan beginnen. Plan je eerder dan is de kans groot dat we indelingen moeten herzien en dat levert een hoop onrust op bij de ziekenhuizen. Die willen ook weten wie er wanneer komt. Verandert dat telkens dan heeft dat consequenties voor hun bedrijfsvoering: ze kampen met opengevallen plekken, de onderwijsroosters kloppen niet meer. We zoeken naar de balans tussen de onrust die ontstaat door uitval van studenten en het zo tijdig mogelijk willen informeren van studenten.'

Keuzemogelijkheden
'We willen studenten als het even kan de ruimte geven om zich te ontwikkelen en profileren, maar daar zitten wel beperkingen aan. Allereerst logistiek. We moeten duizend studenten zo goed en zo vlot mogelijk door de masteropleiding loodsen. Dan het Raamplan waaraan de geneeskundeopleiding moet voldoen. We hebben daar een onderwijskundige opbouw voor ontwikkeld, die je niet zomaar kunt doorkruizen, wel kun je de disciplines van wetenschappelijke stage, keuzestage en semi-artsstage kiezen en is masterjaar 3 feitelijk geheel keuzejaar. En wat betreft de keuzemogelijkheden voor stageplekken in het buitenland: we hebben vaste stageplekken in M2 in het buitenland waar studenten op kunnen inschrijven. Daarnaast kunnen ze ook de wetenschappelijke stage, de semi-artsstage en de keuzestage doen in het buitenland. We zijn wel streng op de kwaliteit van die stage en het moet er veilig genoeg zijn – politiek gezien en wat betreft gezondheidsrisico's. Afgelopen jaar was 53% van de masterstudenten in het buitenland voor een deel van hun studie.'

Vergoeding
'De roep om een vergoeding is een telkens terugkerend discussiepunt. De NFU ziet de co-assistentschappen als een integraal onderdeel van het onderwijs en niet als arbeid. Wij volgen dit standpunt. Uiteraard is er wel een onkostenvergoeding voor reizen of als dat nodig is voor extra kamerhuur.

Bovendien: als ziekenhuizen coassistenten een vergoeding gaan geven, wordt het opleiden ongelooflijk duur. Zij bieden dan vermoedelijk geen stageplekken meer aan. En als een coassistent wordt betaald, verwacht een opleider ook een bepaalde productie. De vraag is of dat ten goede komt aan het onderwijs. Wij denken dat uiteindelijk niemand beter wordt van een stagevergoeding voor coassistenten.'