Sjoerd Greuters: ‘Gelukkig hoef ik zelf niet te vliegen’

Met het diploma basisarts kun je alle kanten op. Een speurtocht langs vacaturesites levert maar liefst honderd verschillende beroepen op: van geriater tot hematoloog, van ruimtevaartarts tot cardioloog, van huisarts tot hoogleraar. Sjoerd Greuters combineert zijn werk als anesthesioloog met dat van heli-arts.

Sjoerd Greuters

“Vanaf het begin van mijn studie was ik erg geïnteresseerd in de fysiologie – de werking van het lichaam. Daarom ben ik na mijn basisartsexamen in 1999 de opleiding tot anesthesioloog gaan doen. Sinds 1995 beschikt VUmc over een MMT, een mobiel medisch team dat uitrukt bij grote trauma’s. De artsen die daarvoor worden opgeleid zijn chirurgen en anesthesiologen.

Ik heb het laatste deel van mijn specialisatie gecombineerd met de opleiding voor heli-arts. Je krijgt dan traumacursussen voor volwassenen en kinderen. Tijdens een cursus crew resource management leer je hoe door middel van communicatie tijdens het vliegen de veiligheid te optimaliseren. Na een inwerktraject ga je als MMT-arts aan de slag, samen met een chauffeur of piloot en een verpleegkundige.

Wij bieden een aanvulling op de ambulancezorg. Ambulanceverpleegkundigen behandelen het merendeel van hun patiënten zelfstandig. Maar bij ernstige bedreiging van de ademhaling en de bloedsomloop hebben MMT-artsen een paar extra tools in handen. Wij kunnen bijvoorbeeld zwaargewonden ter plekke onder narcose brengen, een thoraxdrain inbrengen en een slachtoffer zo nodig op de beademing aansluiten. Handelingen waardoor iemand in een iets betere conditie in het ziekenhuis kan komen en hopelijk met minder schade het trauma doorstaat.

Het MMT wordt ingezet op basis van bepaalde criteria, zoals bijvoorbeeld iemand die een val naar beneden maakt van tweemaal zijn eigen lichaamslengte. Of als er een kind moet worden gereanimeerd. Ik doe zo’n zes kinderreanimaties per jaar. Binnen de Amsterdamse ring rukken wij uit met een busje, daarbuiten met een helicopter, als de weersomstandigheden het tenminste toelaten. Drie minuten na een melding zijn we air born of zitten we in het busje.

Mensen denken dat dit heel spannend werk is. Dat is het ook. Tijdens een dienst, twee tot driemaal per maand, komt er gemiddeld twee tot drie keer een oproep. Dan kom je in actie. Maar tussen die acties door zit je eigenlijk te wachten. Meestal besteed ik het grootste deel van de dienst aan administratie en het bijhouden van literatuur.

In het begin vond ik het vooral spannend om op de plek van het trauma te komen. De chauffeur of piloot bestuurt het busje of de helikopter, de verpleegkundige leest kaart en ik communiceer met de meldkamer. Eerst en vooral telt je eigen veiligheid. In het begin moest ik daar aan wennen: ik had de neiging alleen maar snel bij de patiënten te willen zijn. Soms echter kun je niet landen, bijvoorbeeld als boven een bos veel mist hangt. Met de meldkamer regel je dan dat je bij een weg kunt landen, waar een politieauto wacht om ons naar de plek des onheils te brengen. Nee, gelúkkig hoef ik zelf niet te vliegen.

Op de plaats van het trauma probeer je zo snel mogelijk een situatie te creëren die lijkt op de situatie in een operatiekamer. Ik moet structuur in de chaos zien te krijgen door verpleegkundigen, ambulancepersoneel, brandweer en politie te coachen. Het is het resultaat dat telt. Wanneer het lukt om iemand door een levensbedreigende situatie heen te krijgen zijn we tevreden.

Ik ben daar maar een klein radartje in - in je eentje begin je niks. De samenwerking vind ik dan ook het leukste aspect van dit werk: de manier waarop je met elkaar het resultaat bereikt. Bij mijn werk op de OK is dat net zo. En verder is het heerlijk als in het voorjaar het zonnetje weer schijnt en ik in de deuropening van de hangar kan zitten in de baas zijn tijd.”