Onderwijsvormen

Hoorcolleges


Tijdens het openingscollege vindt een eerste kennismaking met het weekthema plaats. Er wordt een patiënt gepresenteerd die past bij dit weekthema. Doel is het leren begrijpen van de klacht van de patiënt tegen de achtergrond van zijn persoonlijke situatie. Het verhaal wordt vervolgens als casus voor de patiëntpresentatie in de studiegroep gebruikt. Daarnaast zijn er colleges waar moeilijke stof die tijdens de week aan de orde gekomen is nader wordt toegelicht. Tevens zal er aandacht zijn voor de ontwikkelingen die gaande zijn in het wetenschappelijk onderzoek, de geneeskunde en in de maatschappij in relatie tot het weekthema en welke betekenis deze ontwikkelingen hebben voor het toekomstig functioneren als arts. 

In het derde jaar zijn er 'expert colleges', die direct na afloop van de studiegroepen geroosterd zijn. Tijdens deze colleges wordt er ingegaan op vragen die tijdens de voorgaande studiegroep geformuleerd worden.

Studiegroepen


In een studiegroep analyseer je een patiëntprobleem op methodische wijze. Je leert onderscheid te maken tussen hoofd- en bijzaken en verband te leggen met relevante literatuur of opvattingen van de meest betrokken vakgebieden. Per week zijn er in het eerste en tweede jaar (behalve in de laatste week van de cursus) twee bijeenkomsten. Tijdens de eerste bijeenkomst vindt er een brainstorm plaats over de studieopdrachten die in het kader van het weekthema moeten worden uitgewerkt. Tijdens de tweede bijeenkomst wordt de uitgezochte informatie gepresenteerd door de studenten. In het tweede studiejaar worden daarnaast ook referaten gehouden op basis van wetenschappelijke literatuur. De studiegroep van het derde studiejaar heeft een andere opzet dan in jaar 1 en jaar 2, namelijk volgens het Team Based Learning principe. Vooraf bereid je je goed voor, aan het begin van de studiegroep maak je een toets, waarna je de toetsvragen in een groepje van zes bespreekt. Daarnaast werk je gezamenlijk een patiëntprobleem uit. Na afloop van de studiegroep is een Expert College, waar de vragen die geformuleerd zijn tijdens de studiegroep besproken worden. Je volgt één studiegroep, die bestaat uit twaalf studenten onder leiding van een tutor.

Studieopdrachten


Per week worden in de studiegroep twee tot vier studieopdrachten behandeld. Zij vormen de leidraad voor de kennis en het inzicht die je je moet verwerven in de betreffende week. Hierbij is samenwerken en zelfstudie van groot belang. Na de bespreking van de vier studieopdrachten worden leerdoelen geformuleerd. Deze leerdoelen worden aan de hand van de studieopdracht in trio’s uitgewerkt. Tijdens de zelfstudie werk je met behulp van de literatuur de studieopdrachten uit. In de tweede bijeenkomst van de studiegroep presenteer je volgens een vast stramien de resultaten van je zelfstudie over jouw studieopdracht. De inhoud van de studieopdrachten is onderdeel van toetsing.

Practica


Practica kunnen verschillende doelen hebben:

•    Illustratie van de studiestof
•    Verdieping van de studiestof
•    Voorbereiding op bepaalde praktijkdagen
•    Oefenen praktische vaardigheden

Practica zijn kleinschalig en dienen in de meeste gevallen voorbereid te worden.

Klinisch redeneercolleges en practica


Tijdens de klinisch redeneercolleges wordt het klinisch redeneren volgens een vast stramien expliciet geoefend aan de hand van een patiënt die op college komt. Er worden verbanden en relaties gelegd tussen patiënt, studieopdrachten en leerstof. De klinisch redeneercolleges worden ondersteund door de klinisch redeneerpractica, waarin het klinisch redeneren onder leiding van een docent in klein groepsverband (maximaal 12 studenten) wordt geoefend. Tijdens de tentamens van de cursussen worden vragen gesteld aan de hand van een patiëntcasus waarbij je voor beantwoording het klinisch redeneren nodig hebt.

Aanleren van professioneel gedrag


Wetenschappelijke studies laten zien dat problemen rond professioneel gedrag bij een arts reeds aanwezig kunnen zijn tijdens de eerste studiejaren. Daarom streeft VUmc ernaar om goed professioneel gedrag te stimuleren en onprofessioneel gedrag vroegtijdig in de bachelorfase te signaleren en waar nodig via feedback te corrigeren. Hierbij is het van belang dat een student meerdere malen per jaar door eenzelfde beoordelaar wordt gezien en daar waar nodig wordt bijgestuurd. Professioneel gedrag bij studenten en artsen wordt onderscheiden in drie situaties, te weten: omgaan met taken/werk (op tijd zijn, je aan afspraken houden e.d.), omgaan met anderen (communicatie, samenwerking e.d.) en omgaan met jezelf (kritisch naar jezelf kunnen kijken, reflecteren). Studenten leren professioneel gedrag door:

1. feedback tijdens studiegroepen (tutor, studiegroep) en practica (docent);
2. het omgaan met rolmodellen (tutor, mentor, stagebegeleiders, universitair docenten);
3. toetsing (in de studiegroep, tijdens stages).

Meer informatie rondom professionele ontwikkeling.

Digitale werkvormen


Bij het bestuderen van de stof kun je ruim gebruikmaken van digitale werkvormen, e-learning.